Hoe gaan sportclubs om met consumentisme?

  • Jan Willem van der Roest heeft zijn bul in ontvangst genomen (foto: Astrid Cevaal).
Jan-Willem van der Roest

Vandaag is Jan-Willem van der Roest aan de Universiteit Utrecht gepromoveerd tot doctor in de sociale wetenschappen op een onderzoek naar consumentisme in de sport. Centrale vraag: Hoe gaan sportverenigingen hiermee om?

Jan Willem van der Roest is in het dagelijks leven werkzaam bij het Mulier Instituut en de Universiteit Utrecht. In zijn vrije tijd is hij voorzitter van de voetbalafdeling van s.v. Baarn. Op verzoek van SportclubNL legt de jonge wetenschapper uit wat hij onder consumentisme verstaat en welke concrete aanknopingspunten zijn onderzoek biedt voor bestuurders en vrijwilligers van sportverenigingen.

Consumentisme in de sport

“Iedereen die al langere tijd rondloopt in een sportvereniging kent de uitdrukking wel: De leden hier zijn consumenten, ze doen niets voor de vereniging, terwijl ze verwachten dat alles maar voor ze wordt geregeld. Dit zogenaamde consumentisme heeft in de afgelopen jaren een behoorlijke opmars gemaakt in het sportbeleid. Beleidsmakers van sportbonden zijn ervan overtuigd geraakt dat verenigingen moeten veranderen om in te spelen op deze trend. Maar wat is consumentisme nu eigenlijk?

Consumentisme in de literatuur

In de wetenschappelijke literatuur wordt de consument in verenigingen gedefinieerd als: een individu dat aanneemt dat lidmaatschap in een vereniging hem/haar toegang geeft tot een product en verwacht dat de balans tussen kosten (de contributie) en de opbrengsten in zijn/haar voordeel zal zijn (Lorentzen & Hustinx, 2007). Omdat ik vond dat deze definitie te weinig concrete informatie geeft, heb ik verder onderzoek gedaan naar de vraag hoe de consumentistische houding in sportverenigingen nu begrepen moet worden.

Vijf dimensies van consumentisme

Uit mijn onderzoek blijkt dat consumentisme in sportverenigingen vijf dimensies kent:

  1. Onafhankelijkheid (de sporter wil graag sporten op zijn eigen manier en op zijn eigen tijd);
  2. Afzijdigheid (de sporter bemoeit zich weinig met de club, en doet bijvoorbeeld geen vrijwilligerswerk);
  3. Antisociabiliteit (de sporter heeft weinig interesse in sociale contacten bij de club);
  4. Kwaliteit van dienstverlening (de sporter verwacht goed aanbod en goede training);
  5. Exit (als de sporter ontevreden is, zal hij de club direct verlaten).

Verschillen

Is het nu zo dat clubs veel te maken hebben met bovenstaande houdingen? Uit mijn onderzoek blijkt dat verenigingen (wanneer je deze vergelijkt met bijvoorbeeld fitnesscentra) relatief weinig te maken hebben met dit consumentisme.

Verschillen tussen verenigingen

Er zijn nog steeds voldoende mensen die op zoek zijn naar het sociale contact bij verenigingen en ook nog steeds mensen die vrijwilligerstaken op zich willen nemen. Het is echter wel zo dat bij de ene sport sommige dimensies belangrijker zijn dan bij andere sporten. Zo is er binnen de atletiek bijvoorbeeld veel behoefte aan goede kwaliteit van dienstverlening en hebben sporters een meer onafhankelijke houding, terwijl bij teamsporten zoals voetbal de afzijdigheid onder sporters gemiddeld genomen wat hoger is.

Klassieke en moderne verenigingen

Uit mijn onderzoek blijkt verder dat de mate waarin verenigingen te maken hebben met consumentisme niet bepalend is voor de moderniseringen die clubs doorvoeren. Uit een onderzoek dat ik deed naar klassieke en moderne verenigingen bleken geen grote verschillen in het consumentisme onder de leden te bestaan.

Verschillen in besturen

Er zijn echter wel andere redenen voor het verschil tussen deze twee typen verenigingen: moderne verenigingen blijken over het algemeen jongere en hoger opgeleide besturen te hebben, met bestuurders die relatief korte tijd op hun bestuurspositie blijven zitten. Ook blijken deze verenigingen meer samenwerkingspartners te hebben, meer concurrentie te ervaren in hun sport en meer externe financiering (via sponsors en subsidies) te hebben dan klassieke verenigingen.

Externe druk

Verenigingen veranderen dus niet vanwege de interne vraag naar ‘consumentenaanbod’, maar veranderen vanwege druk uit de externe omgeving. Sommige bestuurders spelen eerder in op wat er in hun omgeving gebeurt dan andere besturen.

Aanknopingspunten voor verenigingsbeleid

Wat kan je als verenigingsbestuurder nu met deze onderzoeksresultaten? Uit mijn onderzoek komen enkele concrete aanknopingspunten naar voren:

  • Kijk goed naar het profiel van je sport en probeer in te spelen op de wensen die hierbij passen. Doe waar mogelijk onderzoek naar de wensen/voorkeuren van je leden.
  • Betrek mensen in het bestuur die zich niet direct aandienen als bestuurder. Ga op zoek naar diversiteit in het bestuur en zorg dat deze een afspiegeling is van de vereniging.
  • Profiteer van een crisis in de vereniging. Dit zijn momenten waarop nieuwe bestuurders zich aandienen en er een nieuwe wind kan gaan waaien in de vereniging.
  • Vergeet nooit dat de vereniging boven alles een vereniging is. Modernisering is een goed streven, maar het klassieke verenigingsmodel blijft de basis voor succes."

Bronnen

Jan-Willem Roest (2015), From participation to consumption? Consumerism in voluntary sport clubs. Proefschrift Universiteit Utrecht.
Håkon Lorentzen & Lesley Hustinx (2007), Civic Involvement and Modernization in: Journal of Civil Society, 3:2, 101-118.