Hoe zit het met de vitaliteit van de club?

  • Jo Lucassen bij de presentatie van het boek tijdens de Dag van het Sportonderzoek
Jo Lucassen

Vorige week verscheen het boek Vitale sportclubs voor sport en samenleving. Daarover is eerder op deze site bericht. Het boek is gewijd aan de vitaliteit en vitalisering van sportverenigingen. Daarbij hebben wij niet zozeer de vraag gesteld of sportverenigingen in de 21e eeuw nog wel bestaansrecht hebben. Er zijn er anno 2015 immers nog zo’n 24.000 bij NOC*NSF aangesloten en de ruim 4 miljoen Nederlanders die lid zijn van een of meer van die sportverenigingen twijfelen niet aan dit bestaansrecht. En een hele stoet van wethouders en wetenschappers doet dat evenmin. Wel is duidelijk dat de maatschappelijke omgeving waarin de sportclubs opereren sterk verandert. Dat schept nieuwe condities. Daardoor wordt een groot beroep gedaan op het aanpassingsvermogen van sportverenigingen, wat als een kernelement van hun vitaliteit wordt beschouwd.

Druk vanuit de samenleving

Het laatste decennium worden sportclubs vanuit de samenleving steeds nadrukkelijker aangesproken op hun maatschappelijke rol en bijdrage, bijvoorbeeld door gemeenten in het kader van sociaal beleid of van de sportstimulering. De verwachte bijdrage gaat verder dan datgene waar sportclubs zich van oudsher op richten, het organiseren van een goed sportaanbod voor hun leden. Van de clubs wordt verwacht dat ze ook voor andere doelgroepen een aanbod bieden en openstaan voor andere maatschappelijke taken en daarbij samenwerken met relevante lokale partners.

Maar ook bij de leden zelf zijn de verwachtingen vaak hooggespannen: liefst sporten op een moment dat hen past, met goede begeleiding en op een goed geoutilleerde accommodatie. Tegelijkertijd blijft het een opgave mensen te vinden voor het vrijwilligerswerk in de club (Janssens, 2011), staan de subsidies ter discussie en neemt de concurrentie op de sportmarkt toe. Kortom een complexe en veranderlijke omgeving.

Aan sportverenigingen worden dus andere eisen gesteld door zowel hun interne als hun externe stakeholders: organisaties in hun omgeving en sportbeoefenaren als (potentiele) leden. De sterk intern gerichte traditionele cultuur van verenigingen komt hierbij onder druk te staan. Het voor en met elkaar op een betrekkelijk weinig geregelde manier organiseren van een sportaanbod zou plaats moeten maken voor een open en efficiënt georganiseerde club. Sportbonden en overheden zijn op zoek naar sportverenigingen die hiervoor het meest open staan en toegerust zijn, naar de vitale clubs.

Op zoek naar de vitale sportvereniging

In het boek buigen we ons over de vraag hoe je zicht kunt krijgen op de vitaliteit van sportclubs. Vitaliteit van sportverenigingen is een breed en meerduidig begrip. Vitaliteit kent verschillende elementen zoals in beweging zijn als organisatie, aanpassingsvermogen hebben, flexibel om te kunnen gaan met invloeden van buiten en veerkrachtig zijn.

Vitaliteit heeft een interne dimensie, de mate waarin de organisatie op zichzelf goed draait. De financiën, accommodatie en het aantal vrijwilligers zijn dan op orde en vanuit die basis kan een vereniging zich goed staande houden bij veranderingen of nieuwe doelen stellen en proberen te realiseren. Daarnaast is er een externe dimensie in de vorm van gerichtheid op de omgeving van de club, die leidt tot samenwerking, support en ‘erkenning’. Daardoor wordt de club niet alleen attractief voor haar leden maar ook voor andere partijen. Het bestaansrecht van de vereniging, de ‘licence to operate’, wordt dan meer door de omgeving gesteund. Vanuit deze afbakening van vitaliteit hebben we een vitaliteitsindex ontwikkeld waarin de twee basisdimensies van vitaliteit zijn uitgewerkt:

  1. organisatiekracht
  2. maatschappelijke oriëntatie

Inmiddels is deze index toegepast bij verschillende lokale onderzoeken naar de vitaliteit van sportclubs verspreid door het land. Op basis daarvan kan worden vastgesteld dat het er met de vitaliteit van een meerderheid van de Nederlandse sportverenigingen redelijk voor staat. Dit geldt dan wel meer voor de dimensie organisatiekracht dan voor de dimensie maatschappelijke oriëntatie. Bijna 30% kan worden aangemerkt als een open club.

Sleutelrol voor het clubbestuur

In de onderzoeken is keer op keer de sleutelrol naar voren gekomen van het verenigingsbestuur voor de vitaliteit van de sportclub en in vitaliseringsprocessen. Het bestuur kan duidelijk maken dat het open staat voor verbeteringen en mede daardoor een sfeer scheppen waarin kritisch wordt gekeken naar de vitaliteit en kwaliteit van de club.
Momenten voor reflectie en evaluatie zijn onmisbaar voor het op gang brengen van een veranderingsproces. Besturen, die zichzelf en hun handelen regelmatig onder de loep nemen bij het ‘benen op tafel’ uurtje, leren hoe zij zichzelf constant kunnen verbeteren.

Uit onderzoek naar vitaliseringsprocessen blijkt een andere belangrijke factor de aanwezigheid van een lonkend perspectief is, of wat Daniel Klijn noemt de ‘stip aan de horizon’ (Klijn, 2012). Een lonkend perspectief kan de betrokkenen in de club in beweging krijgen en hen een leidraad bieden om hun handelen concreet vorm te geven.
Uit de ervaringen onder meer bij Maatschappelijk Verantwoord Verenigen blijkt dat nieuwe activiteiten op een breed scala van thema’s gericht kunnen zijn, maar het van wezenlijk belang is dat de activiteiten passen bij interesses en competenties van leden en bij de verenigingscultuur, en dat ze dicht aanliggen tegen wat de vereniging ziet als haar ‘corebusiness’.

Bij het op gang brengen van een bredere maatschappelijke rol speelt persoonlijk engagement van de clubbestuurders vaak een grote rol. Wanneer zij oprecht iets willen betekenen voor de buurt, voor een groep mensen of de wereld (denk aan een sponsorloop) en dit gedachtengoed op hun leden en kader over weten te brengen, bloeit de hele vereniging op.
De ervaringen in de projecten Vereniging in bedrijf bij Utrechtse voetbalclubs wijzen op een andere sleutelfactor om meer vitaliteit bij de verenigingen te bereiken: het werken aan ‘gezonde’ diversiteit. Daarmee wordt de kunst bedoeld om de verschillen tussen leden niet als een probleem te zien, maar als kans. Dit geldt met name in een situatie waarin sporters en vrijwilligers in de club een steeds diversere achtergrond hebben gekregen (Verhagen, 2014).

De verschillen tussen de leden vormen een kracht, een potentieel dat vaak nog niet wordt benut. Verenigingen die weten aan te sluiten bij de verschillende motivaties, competenties en mogelijkheden van de leden, blijken zich sterker te ontwikkelen dan verenigingen die alleen steunen op de betrokkenheid van een kleine kern. Onderzoek maakt aannemelijk dat meer vrouwelijke bestuurders en een grotere inzet van incidentele vrijwilligers gepaard gaan met minder bestaansproblemen bij sportclubs.
Aansluiten bij en ontsluiten van het brede potentieel van de leden vereist wel dat er intensiever wordt gecommuniceerd tussen bestuur en leden en meer in de vorm van tweerichtingsverkeer bijvoorbeeld via sociale media.

In de praktijk blijkt voor het organiseren van extra activiteiten in de sportvereniging vaak het inschakelen van professionals nodig. De meeste vrijwilligers komen niet aan dagactiviteiten toe vanwege verplichtingen vanuit hun eigen betaalde baan. Ook ontbreekt het bij vrijwilligers soms aan specifieke kennis of vaardigheden, zoals voor het werken met specifieke doelgroepen of het opstellen en verantwoorden van subsidieaanvragen.

Versterken van het lerend vermogen

Om beter om te gaan met de voortdurende dynamiek waarmee sportclubs anno 2015 te maken hebben en met het brede scala aan belanghebbenden, is het nuttig het lerend vermogen van de verenigingen verder te ontwikkelen. Dit kan op verschillende manieren.
De basis van allerlei leerprocessen is het gericht organiseren van ontmoetingen van mensen op de club waarbij kennis wordt uitgewisseld en inzichten worden gedeeld. Dit hoeft beslist geen formele cursus-situatie te zijn. Verenigingen blijken veel van elkaar op te steken wanneer ze elkaar een paar keer per jaar ontmoeten en bespreken wat hen bezig houdt.
Ook binnen een individuele vereniging kan veel worden geleerd wanneer er een klimaat wordt gecreëerd van openheid, wederzijdse betrokkenheid en vertrouwen, zodat mensen elkaar weten aan te spreken, met elkaar kunnen ‘nakaarten’ en feedback geven op handelingen en beslissingen. Het bestuur kan een voortrekkersrol spelen in het stimuleren van een dergelijke veilige aanspreekcultuur.

Sommige clubbesturen zullen het organiseren van momenten van reflectie en strategische bezinning lastig vinden. Dit hoeft echter niet altijd op eigen kracht. In Nederland is een groot scala aan ondersteuningsmogelijkheden voor sportverenigingen voorhanden. In veel gevallen zijn bij de (lokale/regionale) sportservice of de sportbond mensen beschikbaar die de club bij dit type activiteiten als professionele verenigingsadviseur kunnen begeleiden en ondersteunen. Vaak is dit duwtje in de rug voldoende om een veranderingsproces op gang te brengen.

De kracht van de sportvereniging

Verenigingen hebben een aantal kenmerken waardoor zij gemakkelijker in staat zijn om te gaan met de veranderdruk uit hun omgeving, dan bijvoorbeeld commerciële organisaties.
Als ledenorganisatie hoeven zij zich niet te laten dollen door elke wens van externen. Zolang de leden vertrouwen hebben in de koers is er een stevige basis.
De vrijwillige inzet voor de club drukt de kosten en maakt die minder gevoelig voor schommelingen in andere inkomstenbronnen. Er hoeft geen winst te worden gemaakt en wordt het financieel echt spannend, dan steken de leden zelf iets meer de handen uit de mouwen.
Op lokaal niveau kan de verenigingssport bovendien en ondanks de crisis nog steeds rekenen op behoorlijke steun, maar worden wel meer tegenprestaties verwacht.
Voordelig voor het aanpassingsvermogen van sportclubs is bovendien dat aanbodvernieuwing vanuit verschillende hoeken van de vereniging kan komen (trainers, commissies, initiatiefrijke leden) en dat clubs zelf in de hand hebben in welke (nieuwe) zaken geïnvesteerd gaat worden.

Het sportverenigingsleven in Nederland is enorm rijk geschakeerd. Het gevarieerde sportaanbod vanuit verenigingen is in ook sociaal-cultureel opzicht als een enorme rijkdom te beschouwen. Het is voor de sportparticipatie en de samenleving als geheel van groot belang om de mogelijkheden tot keuze en tot eigen initiatief die hierdoor bestaan te behouden voor zowel de gebruikers als voor de ‘dragers’ van dit cultuurgoed.

Geraadpleegde bronnen

Janssens, J. (2011). De prijs van vrijwilligerswerk. Professionalisering, innovatie en veranderingsresistentie in de sport. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Klijn, D. (2012). Besturen met een visie. Een handboek voor sportbestuurders. Nieuwegein: Arko Sports Media.
Verhagen, S. (Ed.). (2014). Hoe de bal blijft rollen: naar meer vitaliteit van voetbalverenigingen. Amsterdam: SWP Uitgeverij.

Boek bestellen

Het boek Vitale clubs voor sport en samenleving van Jo Lucassen en Janine van Kalmthout (Mulier Instituut) is verschenen in de Sport en Kennis reeks van uitgeverij Stipp. Het boek telt 196 pagina’s en kost €17,50. Het is hier te bestellen.