Veranderende verenigingen (deel 3)

  • Ton Kemp van roeivereniging De Hertog demonstreert het slimme toegangssysteem van het clubhuis.
afbeelding van Jan Janssens
Jan Janssens

Sport Knowhow XL publiceert een serie artikelen over de veranderingen die sportverenigingen ondergaan. Auteur van deze artikelen is Jan Janssens, ook de initiatiefnemer van de community NL Sportclub. Op basis van persoonlijke ervaringen, onderzoeksrapporten en beleidsstukken wordt beschreven wat er voor verenigingen in de afgelopen jaren allemaal is veranderd en hoeveel gecompliceerder het functioneren van verenigingen is geworden. De artikelen worden ook op de opiniepagina van NL Sportclub gepubliceerd. Vandaag wordt ingezoomd op de accommodatie.

In de jaren tachtig en negentig werd in allerlei gemeenten een begin gemaakt met de privatisering van sportaccommodaties. Voor mijn voetbalclub bracht dat extra werk met zich mee. De gemeente droeg het dagelijkse onderhoud van de velden over aan de club. Waar eerder iemand van de plantsoenendienst langskwam om wekelijks de velden te maaien, moesten we dat klusje voortaan zelf oppakken. We kregen wel de beschikking over een motorisch aangedreven maaimachine. Gelukkig hadden we een vrijwilliger die het leuk vond om die taak op zich te nemen. Hij hield de velden keurig bij. 

Niet overal en altijd zullen de gevolgen van privatisering zo gemakkelijk zijn opgevangen. In andere gemeenten en in andere takken van sport kregen clubs ook wel met verdergaande vormen van privatisering te maken. Daar werd niet alleen het ‘kleine’ dagelijkse onderhoud maar ook het periodieke ‘grote’ onderhoud, of zelfs het volledige eigendom van het sportcomplex, overgeheveld van gemeente naar club. Dat betekent niet alleen meer werk, maar ook meer (financiële) verantwoordelijkheid. Denk bijvoorbeeld aan vervangingsinvesteringen. 

Grote verschillen
Sowieso zijn er op het gebied van accommodatielasten grote verschillen tussen clubs in de verschillende takken van sport en tussen clubs in verschillende gemeenten. De huurtarieven variëren enorm en dat geldt ook voor de mate van zelfwerkzaamheid die van verenigingen wordt verlangd. Bij mijn voetbalclub waren de sportvelden en de afrastering eigendom van de gemeente en zij zorgde voor het grote onderhoud, maar waren wij zelf verantwoordelijk voor de rest en eigenaar van de opstallen (kantine, kleedkamers, opslagruimten, dug-outs en lichtmasten). Bij veel tennisclubs daarentegen is het hele complex in eigendom en beheer van de club en eventueel een daaraan gelieerde stichting voor exploitatie.

In het brancherapport ‘Sportaccommodaties in Nederland’ lezen we dat privatisering nog steeds een belangrijk thema is binnen het gemeentelijk sportbeleid en dat daar meestal bezuinigingen mee worden beoogd. Het zorgt bij veel verenigingsbestuurders voor de nodige hoofdbrekens. Op korte termijn zijn de gevolgen vaak nog wel te overzien. Door meer zelfwerkzaamheid kunnen kosten worden bespaard. Of de balans ook op de langere termijn naar de positieve kant doorslaat, is moeilijker te bepalen. 

Bezwaar ozb
Het eigendom van de opstallen zorgde bij mijn club op een gegeven moment voor een forse tegenvaller. Waren we eerder buiten schot gebleven bij de heffing van onroerendezaakbelasting (ozb), opeens vielen daarvoor bij de penningmeester aanslagen op de deurmat. Ons clubhuis werd getaxeerd als ‘een vrijstaande bungalow op stand’. Een bezwaarschrift haalde niets uit. We moesten betalen, zelfs met terugwerkende kracht. De broekriem moest worden aangehaald en om gauw wat extra geld in het laatje te brengen organiseerden we op stel en sprong een loterij.

De regelgeving met betrekking tot de ozb is naderhand gewijzigd en gemeenten hebben sinds kort (zie een recent amendement) ook de mogelijkheid om voor sportverenigingen en andere sociale instellingen een lager tarief te hanteren. 

Hoe het ook zij, verenigingsbestuurders doen er ook vandaag de dag goed aan om zich te verdiepen in deze materie. Bezwaar maken kan lucratief zijn, zoals eerder op Sport Knowhow XL werd betoogd door Arthur van der Hoeff en Maarten Vrolijk.

Veiligheid
Vernielingen, inbraken en diefstallen: bijna elke club met een eigen accommodatie kan erover meepraten. Vooral op sportcomplexen die aan de rand of buiten de bebouwde kom gesitueerd zijn, kan dat een groot probleem zijn. Mijn vereniging had haar velden midden in een woonwijk. Daar viel het relatief mee, maar ook wij moesten bedacht zijn op vernielingen, inbraken en diefstal. We werden wel eens geconfronteerd met dergelijk onheil. 

Voor de daders gaat het meestal om een korte kick of een kleine buit, voor de clubs om grote schade. De club kan zich er tegen wapenen door veel aandacht te hebben voor preventie, toezicht, goed sleutelbeheer, een alarminstallatie, bewakingscamera’s, en bewegingssensoren. Meer dan dat kan een club eigenlijk niet doen en ook dat blijkt niet altijd toereikend. Een voetbalclub in Maastricht ondervond dat een paar jaar geleden. Er werd toen om de haverklap ingebroken bij de club. Binnen een jaar tijd deed het bestuur van SCM zestien keer aangifte bij de politie. Daders werden nooit gevonden.

Licht en geluidshinder
Een nadeel van de ligging midden in een woonwijk was voor onze club dat we wel eens klachten kregen over licht- of geluidshinder. In goed overleg werd de volumeknop van de geluidsinstallatie een beetje teruggedraaid en werden de armaturen op de lichtmasten iets bijgesteld.

Tegenwoordig geldt voor het merendeel van de sportverenigingen het zogenaamde ‘Activiteitenbesluit’. Op grond daarvan zijn verenigingen verplicht melding te maken van (nieuwe) activiteiten die voor milieuhinder kunnen zorgen. Dat moet vier weken vóór de start van de activiteit gebeuren. Ook moeten zij zich houden aan een aantal bepalingen.

Het geluidsniveau van een sportcomplex mag voor nabijgelegen woningen overdag gemiddeld niet hoger zijn dan 50 dB(A). Voor de avonduren gelden strengere normen van 45 dB(A) tot en 40 dB(A) na 23.00 uur. Wanneer muziek ten gehore wordt gebracht en het geluidsniveau van 80 dB(A) - of in de nabijheid van woningen 70 dB(A) – overstijgt, moet een akoestisch onderzoek worden gedaan.

Voor de verlichting van sportvelden geldt dat deze uitgeschakeld moet zijn tussen 23.00 en 7.00 uur en dat directe lichtinstraling in woon- of slaapvertrekken van woningen moet worden voorkomen. Voor verschillende takken van sport zijn specifieke richtlijnen opgesteld waarin bepaald wordt aan welke normen lichtinstallaties zouden moeten voldoen.

Legionellapreventie
Andere regelgeving waar in mijn tijd nog geen sprake van was, maar waar een vereniging tegenwoordig ook mee te maken heeft bij het beheer van de accommodatie, is legionellapreventie. De grote uitbraak van de veteranenziekte bij de Westfriese Flora in Bovenkarspel, waarbij in 1999 enkele tientallen doden vielen en honderden mensen ernstig ziek werden, was daar de aanleiding voor. 

Vrijwel onmiddellijk werd een tijdelijke regeling legionellapreventie ingevoerd, een paar jaar later werd deze opgenomen in het Waterleidingbesluit. Daarin is bepaald dat instellingen, waaronder ook sportverenigingen, een zorgplicht hebben om legionellabesmetting te voorkomen. Dat betekent dat de club het watersysteem goed moet onderhouden en periodiek moet controleren.

Vervanging rubbergranulaat 
Er is vandaag de dag (nog) geen regelgeving, maar wel politieke of maatschappelijke druk, om op sportaccommodaties ook op heel andere gebieden meer aan preventie te doen. 

Denk bijvoorbeeld aan de commotie die nog niet zo lang geleden ontstond naar aanleiding van de uitzendingen van het televisieprogramma Zembla. Daarin werd gewaarschuwd voor de kankerverwekkende werking van rubberkorrels op kunstgrasvelden. Ondanks geruststellende berichten vanuit de bonden, die verwezen naar onderzoek van het RIVM, zorgde dat voor veel onrust in verenigingen en kopzorgen bij bestuurders. Het heeft ertoe geleid dat verenigingen wedstrijden hebben afgelast, speelschema’s hebben aangepast en het rubbergranulaat op hun kustgrasvelden hebben vervangen door veiliger materiaal.

AED 
Een heel ander voorbeeld in de sfeer van preventie is het idee om alle sportaccommodaties uit te rusten met een AED (Automatische Externe Defibrillator). Die zou ervoor moeten zorgen dat bij calamiteiten passende hulp aanwezig is en iemand bij een hartstilstand direct gereanimeerd kan worden. In de politiek zijn stemmen opgegaan om alle sportclubs te verplichten om een AED te hebben en vrijwilligers te scholen in de verlening van eerste hulp bij hartproblemen.

Die verplichting is (nog) niet gekomen. Maar, zo blijkt uit onderzoek van het Mulier Instituut, een substantieel aantal sportverenigingen is er (al dan niet gestimuleerd en gesubsidieerd door lokale overheden en de Hartstichting) wel toe overgegaan om een AED te installeren.

Milieuzorg
Op allerlei manieren worden sportclubs tegenwoordig ook steeds meer gestimuleerd om bij het beheer en het onderhoud van hun voorzieningen (meer) oog te hebben voor het milieu. Zo is er bijvoorbeeld de ‘Green Deal’ die het gebruik van schadelijke pesticiden bij het onderhoud van velden en ander groen wil tegengaan. Ook zijn er allerlei stimuleringsmaatregelen om energie te besparen. Op landelijk niveau is de ‘Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties’ het belangrijkst.

Stuk voor stuk prima initiatieven, maar net als al die andere hierboven genoemde zaken ook aspecten die extra aandacht vragen van verenigingsbestuurders.

Inspiratie
Tot slot en ter inspiratie, net als in de vorige afleveringen in deze serie, een ideetje uit Het Grote Ideeënboek voor Sportclubs. Het heeft uiteraard betrekking op het accommodatiebeheer. Het is een mooi voorbeeld uit de praktijk van roeivereniging De Hertog uit ’s-Hertogenbosch. Wellicht kunnen andere clubs er hun voordeel mee doen.